Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
nedepvlandschen stijl. 169
tafel en drie ftoelen. Ook in de rekenkunst ftaat
achter de getallen, die een meervoud uitdrukken,
doorgaans een werkwoord in het enkelvoud;
waarschijnlijk omdat er een enkelvouJig naam-
woord onder verftaan wordt, als: zes cn drie is
negen (de fom van zes en drie is negen); twee-
maal vijf is tien (het vermenigvuldigde van twee
maal vijf is tien).
§ 380. Het meervoud is verder noodzakelijk,
wanneer het enkelvoudig onderwerp, door de bij-
voeging van verfchillende hoedanigheidswoorden,
inderdaad twee onderscheidene onderwerpen aan-
duidt, als: de ware en valsche godsdienstijver
verschillen hemelsbreedte in hunne uitwerkselen.
Ook is hierbij eene oude en fraaije spreekwijs te
vermelden, die echter fpaarzaam en alleen in den
defügen ftijl le gebruiken is, namelijk: daar is
er, die zeggen, voor daar zijn er, enz.
5, Gebruik der hulpwoorden,
§ 381. Wanneer twee of meer werkwoorden
in dezelfde betrekking bijeenkomen, wordt het
hulpwoord, dat zij met elkander gemeen hebben,
flechts eens geplaatst, als: het zijn dingen,
welke ik noch gezien, noch gehoord) noch gelezen
heb.
§ 382. Men vermijde de ongepaste verdubbe-
ling van het woord hebben als: gij hebt het
fnij beloofd gehad. Desgelijks met de woorden
L 5