Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 167
moten voor den edelen man oprigtteu, in plaats
van opgerigt hebben.
§ 374. Nog is aan te merken , dat eene rede
in denzelfden tijd moet worden voortgezet, waar-
in zij begonnen is, als: ik gaf den ongelukkigen
alles, V/at ik bij mij had. Om die reden moet ook
het antwoord op eene vraag in denzelfden tijd
van de vraag ftaan, als: hebt gij men vriend
binnen kort ook gezien ? Ja, ik heb hem gisteren
bezocht.
3. Perfoneti.
§ 375. Het is ftrijdig met den aard onzer taal,
het p e r f o O n 1 ij k voornaamwoord weg te laten ,
als: hebbe uwen brief y/el ontvangen; verklaar bij
dezen , enz. voor ik heb, ik verklaar, enz. In
de gebiedende wijze nogtans, waar de aan-
gefprokene of tweede perfoon reeds genoeg be-
paald is, wordt het voornaamwoord weggelaten,
ten zij deszelfs plaatfing nadrukshalve noodzake-
lijk worde, als: zoo uw broeder mij niet kan
bijßaan, help gij mij dan.
§ 376. Wanneer twee of meer werkwoorden
tot denzelfden perfoon behooren, wordt deze
flechts eens genoemd, als: h/j kwam, bezag
de ftad, verwonderde zich over hare fchoone lig-
ging en vertrok weder. Eene uitzondering ech-
ter wordt te dezen aanzien gemaakt, wanneer het
werkwoord het perfoonlijk voornaamwoord voor-
afgaat, als: handelt gij tegen mijne waarfchu-
L 4