Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 165
als: de ingebeelde ziele, clat is, die zicli inbeeldt
ziek te zijn; desgelijks: een eer- en pügtvergeten
mensch; een bediende; uitgediende foldaten, enz.
§ 369. Somtijds wordt een deelwoord met
een zelfllandig naamwoord of een voornaamwoord
vereenigd, cn ftaat op zich zelf, als buiten ver-
band tot de verdere rede, b. v. de oorlog ver-
klaard zijnde, trok het leger over de grenzen.
Men vermijde ecliter deze fpreekwijze zoo veel
mogelijk, en bediene zich liever van eene om-
fchrijving, als: na dat de oorlog verklaard was,
enz.
5 370. De aantoonende wijze wordt ge-
bruikt om iets ftelligs en zekers, de bijvoe-
gende daarentegen, om iets twijfelachtigs en
onzekers, als een wensch, of oogmerk, eenige
hoop, vreeze of iets dergelijks uit te drukken.
Alzoo zegt men: ik geloof dat hij vertrokken is.
Wanneer hij wist, dat ik van hem f preek. Ik
wenschte te weten, wat hij mij te zeggen heeft.
Dat hij leve. Ik twijfel of hij mijn vriend zij.
Ik vrees, dat hij zich vergisfe. Ik vrees, dat hij
van die ziekte niet opkome. Hieruit ziet men dat
het niet op de voegwoorden dat, enz., maar op
de zekerheid of onzekerheid der gedachten aan-
komt. Uit dien hoofde zijn er voegwoorden,
die altijd de aantoonende wijze achter zich heb-
ben; terwijl andere altijd de bijvoegende verei-
ühen. Tot de eerfte behooren want, omdat,
L3