Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
i64 handleiding tot den
§ 366. Men gcbruike in de bepa'ing van het
'onzijdige, met weglating van het voorzctfel w«,
nimmer wiens of wier in plaats van welks, ten
zij het naamwoord, waarop het betrekking heeft
kenbaar eenen mannelijkcn of vrouweüjken per-
foon aandiiide. Zoo zegge men: het gebouw,
welks (niet wiens) grondvesten nog fierk zijn. liet
kind, welks (niet wiens of wier) naarstigheid enz.
maar men zegt: het meisje, wier deugden gij be-
wondert. Even als bij de vragende voornaam-
woorden, wordt voor welke ook dikwerf waar
gebezigd, wanneer men namelijk van zaken
fpreekt, als: de pen, waarmtde ik fchrijf, enz.
E. Werkwoorden.
I. Wijzen der werkwoorden.
§ 367. De onbepaalde wijzen der wei'k-
woorden, als zelfflandige naamwoorden met of
zonder lidwoord gebezigd, zijn gewoonlijk na-
drukkelijker, en aan het denkbeeld van werking
meer verknocht, dan de zelfflandige naamwoor-
den , die met dezelve overeenkomen, als : ik ben
moede van het wandelen, krachtiger dan van
de wandeling, enz. De tegenwoordige deel-
woorden kunnen hetzelfde geval bij zich heb-
ben als de werkwoorden, waarvan zij afgeleid
zijn, als: de zich zei ven behagende dwaas.
§ 368. De verledene deelwoorden worden
fomwijlen in eenen bedrijvenden zin gebezigd.