Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 183
op twee of raeer zelfftandige naamwoorden be-
trekking, dan ftaat het in het meervoudig getal,
als: de achting en het genoegen, welke hi] daar
genoot, niet hetwelk. Wordt eene uitdrukking
naar eene geheele rede teruggevoerd, dan wordt
het betrekkelijk voornaamwoord in het onzijdige
geflacht gebezigd, als: hij heeft mij nog niet be-
taald, hetwelk ik wel verwacht had. In een enkel
geval wordt het zelfftandig naamwoord herhaald;
wanneer nameliik dit laatste te verre van het
eerste verwijderd is, om de betrekking duidelijk
te maken, als: de onderwijzer had den leerlingen
eene taak opgegeven, die zij gedurende den tijd,
dat de fchool zoude ßilßaan, moesten afwerken;
welke taak zij bij hunne terugkomst allen afge-
maakt mcdebragten.
5 364. Die wordt in den eersten naamval ge-
meenlijk achter de perfoonlijke voornaamwoorden
gebruikt, als: ik, die u bemin. Ilem, die mijn
vriend wil zijn, zij dit bekend. In de overige
naamvallen bezige men liefst wie of welke; als:
hij, wien ik mijn geluk te danken heb. Zij, wel-
ke de fortuin gunstig geweest is, kennen mij.
£ 365- Wie, die, wat, dat en hetwelk heb-
ben dikwijls betrekking, niet op het voorgaande,
maar op het volgende: wie of die (hij, wie of die)
gelukkig wil leven, betrachte de deugd. Wat of
dat (al het welk, het ftuk dat) gij doet, doe het
wel. Hetwelk (het woord, hetwelk) gij zegt^ is
waar. L 1
■M
hi