Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
iö8 HANDLEIDING tot d[;n
getij is drljdig met den aard der taal, b. v. mijn
vader zijn broeder, mijm moeder hare zuster,^
voor mijm vaders broeder, mijner moeder zuster,
voor wellc laatfte meestal de mannelijke uitgang
gebruikt wordt, als: mijns moeders zuster, zijns
zusters zoon.
§ 356. Achter de werkwoorden zijn, blijven,
enz. worden de b e z i 11 e l ij k e voornaamwoor-
den ook, even als de bijvoegelijke naamwoor-
den, onverbogen gebruikt, als: de bezitting is
mijn, het goed blijft uw. Ook vooraan: zijn is
de erfenis; uw is het rijk.
5 357. Omtrent de vragende voornaam-
woorden is aan te merken, dat in hetzelfde geval
en met dezelfde voorzetsels moet geantwoord wor-
den, waarin en waarmede gevraagd wordt, als;
wien behoort dit boek? Mij. Wi e heeft dit gezegd?
Ik. Van wien fpreekt men? Fan hem. Wij-
ders dat, in plaats van de vragende voornaamwoor-
den, van zaken dikwijls waar gebezigd wordt,
als: waarvan (van welke zaak) fpreekt gij'i
Waarover (over welke zaak) hebt gij geschil?
§ 358. Bij de aanwijzende voornaamwoor-
den wachte men zich voor het overtollige gebruik
van het voornaamwoord die, dat, als: mijn
broeder, die heeft het gezegd, voor mijn broeder
heeft het gezegd. Somwijlen echter, wanneer op
den genoemden perfoon eene breedere omfchrij-
ving volgt, is het gebruik van het voornaam-