Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 159
nam, daCds vijand htm wilde aangrijpen, beter
met eenige verandering: de maarfchalk vernam,
dat de vijand den post, dien men Jlechts even den
generaal N aanvertrouwd had, wilde aangrijpen.
§ 353. Dit is oolc toepasfelijk op de bezit-
telijke voornaamwoorden zijn, haar en de
bepaling van dezelve met van, als: mijn vriend
fchrijft aan zijnen broeder, dat hij deszelf s zoon
{den zoon des broeders^ heeft gefproken. Zij nen
zoon zou beteekenen de zoon mijns vriends. De
goedheid, welke de vorst dezen man bewees, jlrekte
tot deszelfs (des mans') ongeluk. Gaat met het op-
volgen van dezen regel hardheid en eentoonig-
heid, en met het niet opvolgen van denzelven
geene dubbelzinnigheid gepaard, zoo moet
men aan het laatfte de voorkeur geven, als: Wil-
lem meldt zijnen vriend, dat hij aan zijn ver.
zoek voldaan heeft.
§ 354. Als in een voorstel, behalve het on-
derwerp, nog tvvee zelfftandige naamwoorden
gevonden worden, en deze beide door voornaam-
woorden uitgedrukt ziju, zoo neemt men voor
datgene, hetwelk als nieuw onderwerp voor-
komt deze, en voor het andere dezelve, als: de
heer nam zijnen knecht het geld weder af; dewijl
deze hem hetzelve ontftolen had; of, dewijl dit
hem door denzelven ontjlolen was.
S 355- In plaats van de bepaling met van voor
zich een bezittelijk voornaamwoord te bezi-