Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
iö8 HANDLEIDING tot d[;n
twintig enkele guldens bedoeld worden. Zoo ook:
tien ponden thee, wanneer de ponden afzonderlijk
gewogen en gepakt zijn; maar een fuikerbrood van
tien pond, enz.
§ 347. Omtrent het woord beide moet aange-
merkt worden, dat het werkwoord bij hetzelve
in het enkelvoud geplaatst wordt, wanneer dit
telwoord niet tot twee afzonderlijke voorwerpen,
maar tot twee zaken betrekking heeft, welke als
een geheel befchouwd kunnen worden , als: hij
is gewoon veel te eten en lang te flapen; beide is
fchadelijk voor de gezondheid.
§ 348. Ten opzigte van de onbepaalde tel-
woorden al, alle, is insgelijks het een en ander
aan te merken. Al wordt onverbuigelijk gebruikt,
wanneer het voor een lidwoord of bezittelijk voor-
naamwoord komt, als; hij deed al den arbeid;
al mijne vreugde is vervlogen. In het meervoud
echter kan het ook verbogen worden, als: alle
uwe pogingen zijn vruchteloos ; alle mijne bezittin-
gen zijn verloren. Alle in eenen verzaaielenden
zin genomen, en zoo veel als gansch, geheel
beteekenende, blyft onverbogen, als : door achte-
loosheid berooft men zich van alle voorfpoed. Hij
ziet alle kommer geweken. De weelde verdooft al-
le gevoel van deugd. Desgelijks blijft het onver-
bogen, wanneer de daarbij gevoegde zelfflandige
naamwoorden, fchoon in het enkelvoud ftaande,
eenen verzamelenden zin hebben, als: ik ken alk