Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 153
jltge uurwerkmaker. Intusfchen heeft het ge-
bruik hiervan in fommige gevallen eene uitzonde-
ring gemaakt, als: een zijden koufenwever, oude-
vrouwenhuis, hoogduitfche taalmeefter, dolle honds-
beet, nederlandfche fpraakkunst, latijnsch woor-
denboek, enz., alwaar zijden tot koufen en niet
tot wever behoort, en als ware het een lid der
zamenftelling uitmaakt; weshalve men dezelve niet
ongevoegelijk door een dwarsftreepje met hunne
zelfflandige naamwoorden verbinden kan, als:
zijden-koufenwever, oude-vrouwenhuis, enz. Zulk
een dwarsftreepje wordt ook gebezigd bij twee
of meer met en verbondene bijvoegelijke naam-
woorden, welke denzelfden uitgang hebben, als
wanneer het de weglating van den eenen uitgang
aanduidt, als: eene goud- en vischrijke rivier.
Een uit- en inwendig gevoel. Dit is om dezelfde
reden ook bij zelfflandige naamwoorden het geval,
als : tijds- en plaatsbepaling. Geboorte., trouw-
en fierjlijsten.
§ 340. De bijvoegelijke naamwoorden hebben
ook fomtijds zelfflandige naamwoorden of voor-
naamwoorden bij zich, nu met voorzetfels dan
met verbuiging, als: rijk in deugd; arm van
geest; gelijk aan zij nen v ader ; vijf pond zwaar;
aan het verbond, en aan hem gedachtig; ook
des verbonds, zijner gedachtig; van zijne
onfchuld of zijner onfchuld bewust; der zake
kundig. Even zoo is het met moede, zat, fchul^
dig, onfchuldig, waardig, enz.