Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
iö8 HANDLEIDING tot d[;n
§ 337' Wanneer twee naamwoorden derwijze
met elkander verbonden worden, dat zij flechts
één denkbeeld uitmaken , dan wordt de s als het
teeken der verbuiging alleen achter het laatfte
gevoegd, als: Koning Willems regering. Ver-
oorzaken twee of meer zulke verbogene woor-
den een wangeluid, dan wordt in plaats van een
derzelve van gebezigd, als: de weldadige vruch-
ten van de beoefening der wetenfchappen, niet der
beoefening der wetenfchappen , enz.
C. Bijvoegelijke naamwoorden.
§ 338. De bijvoegelijke naamwoorden
ftaan voor de zelfftandige naamwoorden en ko-
men met dezelve in getal, geflacht en
geval overeen. Zij worden achter de eigen-
namen geplaatst ter onderfcheiding van anderen
van denzelfden naam, en met vooropneming te-
vens van het lidwoord de , als: Karei de twaalfde.
Somtijds komen de bijvoegelijke naamwoorden
zonder lidwoord achter de zelfftandige en blijven
alsdan onveranderd, als: wij bewonderen in De
Ruiter eenen held, even menschlievendals dapper;
ook achter de werkwoorden zijn, worden, blijven,
als: die krijgslieden zijn dapper. De kinderen
viorden verflandig. De wijzen blijven deugdzaam.
S 339. De bijvoegelijke naamwoorden hebben
altijd betrekking op het laatfte deel van een
zamengjftcld zelfftandig naamwoord, als: de kun^