Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 151
al wanneer hetzelve meermalen achtereen in de
rede voorkomt , en de daarop volgende, woorden
met eenen klinker aanvangen.
B. Zelfftandige naamwoorden.
5 334. De verbinding van twee of meer
zelfftandige naamwoorden is voornamelr.k
tweederlei, voor zoo verrre zij ramelijk in eene
gelijke of ongelijke betrekking tot elkander
liaan.
S 335. De eerfte foort van verbinding heeft
plaats , wanneer twee of meer zelfftandige naam-
woorden dezelfde zaak uitdrukken, als: Koning
Willem; of het eene, bij wijze van toezetfel
(appofitie), ter verklaring en nadere bepaling
van het andere moet dienen, a!s: De Kuiter,
de grootfle zeeheld zijner eeuw. De letteroefenin-
gen, de beste troost in het ongeluk. Eindelijk ook,
wanneer zij benamingen zijn van verfeheidene
nevens elkander geplaatfte zaken, als: hij fielt
zijne bezittingen, zijne eer en zijn leven in de
waagfchaal. In al deze gevallen komen de naam-
woprden in geval overeen.
§ 336. De verbinding der naamwoorden in
ongelijke betrekking gefchiedt of door het laatfte
woord onveranderd te laten, als: hoop op betere
tijden. De bevelen des konings. Een flapel boe-
ken, in welk laatfte geval eene uitlating van het
voorzetfel van plaats heeft.
K 4