Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
134 HANDLEIDING tot den
Volftrekt verledene tijd.
Enkelv.
ik ben
gij zijt
hi}^ zij^ then is
Meerv,
wi) zijn
gij zijt
zij zij 71
Enkelr.
1 dat ik zij
— gij zijt
— hij^ zij^ men zij
Meerv.
li
^ dat mj z ij n
gij zijt
zij zijn
Tweede betrekkelijk verledene tijd.
Enkelv.
ik was
gii waart
hij ^ zij ^ men was
Meerv.
wij waren
gij waart
zij waren
Cftu
O

Enkelv.
dat ik ware 1
— gij wäret 1
— zij^ men ware,
Meer». ]
dat wij waren
— S^j w aret
— zij waren
Toekomende tijd.
Enkelv.
ik zal
gij zult
hij-i zij^ men zal
Meerv.
wij zullen
gij zult
zij zullen
Enkelv.
dat ik zoude
— gij zoudet
—hij^ zij^ men zoud^
Meerv.
dat wij zouden
— gij zoudet
— zij zouden