Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
I^EDERLANDSCHEN STIJL. 133
Gebiedende wijze.
Enkelv. ZtJ of WCCS.
Meerv. zijt of wcest.
IV. Worden.
Onbepaalde wijze. Deelwoorden.
Teg. tijd, worden. Tegenw., wordende.
Verl, tijd, geworden zijn. Verleden, geworden,
Toek. tijd, zullen worden.
Aantoonende w^ze.
Bijvoegende «rijze.
Tegenwoordige tijd.
Enkelv.
ik word,
gij' wordt,
hij, zij, men wordt.
Meerv.
mj worden,
gij wordt,
zij worden.
Enkelv.
dat ik Wörde,
— gij wordet,
— hij, zij, menworde.
Meerv.
dat wij worden,
— gij wordet,
— zij worden.
Eerfte betrekkelijk verledene tijd.
Enkelv.
ik werd,
gij wer dt,
hij, zij, men werd.
Mee»v.
wij werden.,
gij werdt,
zij werden.
Enkelr.
dat ik Wierde,
— gii wierdet,
— hij, zij, men w ierde,
Meerv.
dat wij wier den,
— gij wierdet,
— zij wierden.
I3