Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
132 HANDLEIDING TOT DEN^
Tweede betrekkelijk verledene tijd.
Enkelv.
ik was
gij waart
hij^ zij^ men was
Meerv.
wij waren
gij waart
zij waren
Enkelv.
dat ik ware
— gij wäret
— hij^ zij^ men ware
Meerv,
dat wij waren
— gij wäret
— zij waren
Toekomende tijd.
Enkelv.
ik zal
gij zult
hij^ zij^ men zal
Meerv,
wij zullen
gij zult
zij zullen

Enkelv.
dat ik ZÓU de
— gij zoudet
—hij^zij^men zoude
Meerv.
dat wij zouden
— gij zoudet
— zij zouden

Betrekkelijk toekomende tijd
Enkelv,
ik zal
gij zult
hij zij^ 7nen zal
Meerv.
mj zullen
gij zult
zij zullen.
Enkelv.
dat ik zoude
— gij zoudet
— hij^zij^men zoud^
Meerv,
dat wij zouden
— gij zoudet
— zij zouden