Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 131
Aantoonende wijze.
B^'TOCgende wyze.
Tegenwoordige tijd.
Enkelv.
ik ben^
gij zijt^
hijy zij^ men is,
Meerv.
wij zijn^
gij zijt^
zij zijn.
Eokelr.
dat ik z ij ^
— gii Zijt,,
— hij ^ zij ^ men zij*
Meerv.
dat wij zijn^
— gij zijt^
— zij z ij n.
Eerfte betrekkelijk verledene tijd.
Enkelv.
ik was ^
gij waart ^
hij^ zij^ men was.
Meerv.
wij waren^
gij waart ^
zij waren.
Enkelv.
ik ben
gij zijt
hij ^ zij ^ men
Meerv.
wij zijn
gij zijt
zij z ij n
Eak€lT,
dat ik ware,
— gij war et ^
— hij^ zij^ men war
Meerv.
dat wij waren^
— è^j w ar et ^
— zij waren*
Volftrekt verledene tijd.
Enkelv.
dat ik zij
— gij zijt
— hij^ zij,, men zij
Meerv.
dat wij z ij n
— gij zijt
— zij zijn
1 2
t s