Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 129
Meerv.
wij hebben^
gij hebt^
zij hebben.
Meeiv.
dat wij hebben^
— gij hebbety
— zij hebben.
Eerfte betrekkelijk verledene tijd.
Enkclv.
ik had^
gij hadty
hij ^ zij y men had.
Meerv.
wij hadden^
gij hadt^
zij hadden.
Enkelv.
dat ik hadde^
— gV haddet^
— hijy zij^ men had de.
Meerv.
dat wij hadden^
— êV haddet^
— zij hadden.
Volftrekt verledene tijd.
Eakelv.
ik heb
gij hebt
hij^ zi/\ men heefi\^
Meerv,
wij hebben
gij hebt
zij hebben

Enkelv.
dat ik hebbe
— gtj hebbet
— hij^ zijy men hebbe '^
Meerv.
dat wij hebben
— gij hebbet
— zij hebben

Tweede betrekkelijk verledene tijd.
Enkelv.
ik had
gij hadt
hij^ zij^ men had
Meerv.
wij hadden
gij hadt
zij hadden

Enkelv.
dat ik hadde
— S^j haddet
—hij^zij^ men hadde
Meerv.
dat wij hadden
— gij haddet
— zij hadden