Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
iö8 HANDLEIDING tot d[;n
Vervoeging vau de Imlpwoorden zullen, h ebb e n,
zijn en worden.
Onbepaalde wijze zullen.
Aantoonende wijze,
Enkelv.
ik zal,
gij zult,
hij, zij, men zal.
Meerv.
wij zullen,
gij zult,
zij zu Hen.
L Zullen.
Deelwoord zullende.
Bij voegende wijz«.
Enkelv.
ik zoude,
gij z oud et,
hij, zij, men zoude.
Meérv.
■wij zouden,
gij zoudt,
zij zouden.
II. Hebben.
Onbepaalde wijze. Deelwoorden.
Teg. hebbe n, Tegenw., hebbende ,
Verl. ïi]^, gehad heb' Verleden , gehad,
ben,
Toek.tijd,2tt//e« heb-
ben.
Aantoonende wijze, Bij voegende wijze.
Tegenwoordige tijd.
Enkelv. Enkelv.
ik heb, dat ik hebbe,
gij hebt, — gij hebbet,
hij, zij, men heeft. — hij, zij, men hebbe.