Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
iif) IIANDLfilDINO tot den
vervangen de namen van perfonen zeiven, of van
zaken als perfonen voorgefteld.
§ 263. Men onderfcheidt in de taal drie
perfonen. De eerfte perfoon of de fpre-
kende noemt zich ik, in het meervoud vij; dc
tweede, tot wien men fpreekt, heet gij, enkel-
en meervoud; en den derden perfoon, of elk
ding waarvan gefproken wordt , drukt men uit
door hij, zij, het en men.
§ 264. Bij de twee e e r ft e perfonen wordt
van geen gedacht melding gemaakt, omdat dit
altijd kenbaar is. Bij den derden perfoon
komen de drie geflachten in aanmerking. Men
wordt alleen in het enkelvoud gebruikt en ftelt
den perfoon onbepaaldelijk en zonder geflacht
voor.
§ 265. De perfoonlijke voornaamwoorden ne-
men fomtijds de woordjes zelf en alken achter
zich, om daardoor alle andere perfonen uit te
fluiten. Deze voornaamwoorden worden verbo-
gen, en het woordje zelf fchikt zich in getal,
geflacht en geval naar die voornaamwoorden,
waarbij het voorkomt, alsmede naar de zelf-
ftandige naamwoorden , achter welke het fomtijds
op gelijke wijze geplaatst wordt, als: de vader
zelf heeft het gezegd. Ik heb het den broeder
zeiyen gegeven. Het woordje alleen blijft onver-
bogen , als: ik alleen ben er geweest. Wij alleen
fpraken er over.