Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 131
de naamwoorden, volgens de onderfcheidene
betrekkingen, waarin zij voorkomen. De lid-
woorden, bijvoegelijke naamwoorden, voornaam-
woorden en deelwoorden ftaan in eene naauwe
betrekking tot de zelfftandige naamwoorden,
en volgen deswege de regelen der verbuiging.
S 251. In de nederlandsche taal wordt de
verbuiging aangewezen door verandering van
de lidwoorden, of van de laatste let-
ters der woorden, of door het plaatfen
van voorzet fels voor dezelve.
§ 252. Het lidwoord de verandert in den-,
en het lidwoord een in eenen, wanneer het voor
een enkelvoudig mannelijk voorwerp of voor
eene dergelijke bepaling ftaat, b. v. Ik zie
den, eenen boom. Hij vertrouwt op den
broeder.
§ 253. In de bepalingen, welke ter opheldering
of omfchrijving van eenigen naam dienen, wordt
het voorzetfel van zeer dikwijls weggelaten-,
maar dan heeft men voor het enkelvoud van
mannelijke en onzijdige woorden des of eens,
met eene s achter den naam, b. v. des, eens
broeders; ook welluidendheidshalve wel eens es
of en in plaats van s, als: des huizes, des heeren.
In hel vrouwelijke geflacht heeft men der of eener,
en in het meervoud van alle drie geQachten der;
in beide laatfte gevallen zonder s achter-den naam,
b. V. der vrouw , der menfchen, enz.