Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
■io8 BANDLEIDING TOT DEN
beelden van verbuiging zal blijken. Sommige
echter blijven altijd onveranderd, en wel: i.)
die op /«■ en hande uitgaan, als: aller lei
menfchen, velerhande geld, enz.; 2.) alle
ftofFelijke bijvoegelijke.naamwoorden, als: gouden,
zilveren en fteenen beelden; 3.) die van
een land of eene ftad ontleend zijn, en op er
uitgaan, als: Straatsburger fnuif; Amfter-
dammer ffihipper, enz.; 4.) die, welke tot
gezegden in een voordel gebezigd worden, als:
de helden zijn dapper.
§ 242.. In het mannelijke en vrouwelijke ge-
flacht, als ook in het onzijdige met het, dit. of
dat, ontvangen zy eene e: als: groote dienst,
waarde dochter, dit rijkeland, het fterke paard,
enz.; daarentegen zegt men zonder e: wit papier,
een hoog huis, zeker fchoon gebouw, enz.
§ 243. Perfoonlijke naamwoorden van het man-
nelijke geflacht, welke eenen ambtenaar, belluurder
pf dienaar aanduiden, en op er, aar, . ier of ling
uitgaan, als: arbeider, lecraar, hovenier, hove-
ling , alsmede de woorden koning, vorst, admiraal,
leermeester, knecht, onderdaan, vritnd, vijand,
man en mensch vereifchen , dat hunne bijvoegelijke
naamwoorden, wanneer die op de werking,, en
niet op de perfonen zelve zien, met het lidwoord
een, zonder eonverbuigelijkgebezigd worden, als:
pen groot krijgsman, die als krijgsman groot is;
.daarentegen een groote krijgsman, die groot yap
geflialte is.