Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEpvLANDSCHEN STIJL. 107
zijn voor deelhaftig, y/aarhaftig, woonhaftig, en
beteelvcnen eigenlijk deel hebbende het, ware heb-
bende , woon hebbende, en ontvangen den klem-
toon op den uitgang. De uitgang haftig, van
haven, hebben, duidt aan, dat iets waarlijk de
cigenfchap eener zaak heeft, als : ernsthaftig,
heldhaftig, krijgshaftig, enz.
§ 239. De uitgang seh, bij zamentrekking uit
isch, is zeer gemeenzaam in bijvoegelijke naam-
woorden, het zij van andere bijvoegelijke, het zij
van zelfftandige naamwoorden afkomflig, als:
grootseh vzx^ groot, trotsch van trots, daagsch
van dag, Delftsch van Deljt. Eenige weinige bij-
voegelijke naamwoorden hebben eene enkele t,
als : dwars, enz.
§ 240. De namen, die bepaald of onbepaald
zekere eenheid of veelheid aanduiden, en die men
uit dien hoofde telwoorden noemt, behooren
ook meerendeels tot de bijvoegelijke naamwoorden,
b. V. t w e e menfchen ; de eer ft e koning; veèl
goed; alle menjchen.
^■'v-V.
2. Veranderingen, der bijvoegelijke . ,
naamwoorden,
S C4t. ^ De bijvoegelijke naamwoorden ^ fchik-
ken zich in geflacht, getal en geva^l
naar de zelfftandige naamwoordien,
tot welke zij hehooren, en worden gemeenlijk
vobr dezelve geplaatst; welk alles uit de voor-