Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL. 105
C. B ij V 0 e g e I ij k e naamwoorden.
I. Derzelver aard.
§ 231. De bijvoegelijk e naamwoorden
duiden aan de hoedanigheden of eigenfchappen
der dingen, alsmede de ftof, waaruit iets is za-
mengefteld, en het getal der dingen, b. v. een
groot leger; een dapper held; een koperen
ketel; alle menfchen; veel goed; twee huizen;
de eerfte mensch. Zij zijn of 0 o r fp r 0 n k e-
lijk, als: klein, wit, enz.; of afgeleid en
zamengefteld, als; eerlijk, weldadig, deugd-
zaam, enz.
§ 232. De afgeleide of zamengeftelde bijvoe-
gelijke naamwoorden hebben verfchillende uitgan-
gen. De voornaamfte zijn: baar, ig, lijk, loos,
zaam, achtig, haf tig, sch.
S 233. Do uitgang baar, afkomftig van het
oude baren, dragen, voortbrengen, , achter
zelfftandige naamwoorden gevoegd , altijd die
beteekenis, b, v. vruchtbaar, dat vruchten voort-
brengt ; dienstbaar, dat dienften bewijst; zoo
ook wonderbaar, blijkbaar. Achter 'werkwoorden
drukt deze uitgang zeker vermogen om te doen
of te lijden uit, als: ftrijdbaar, bekwaam om te
ftrijden; weerbaar, in ftaat om te weren, verwe-
ren; leesbaar, dat gelezen kan worden; zoo ook
eetbaar, kenbaar.
S 234. De uitgang ig geeft den aard van,
G 5