Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEPvLANDSCHEN STIJL. 103
van ƒ in V, cn van .f in z, ais: vader, vaders;
genoegen, genoegens: behoefte, behoeften; boom,
boomfin; flal, [lallen; hof, hoven; huis, huizen;
boekje, boekjes; kind, kinders of kinderen; lied,
liederen; rund, runders of runderen; volk, vol-
ken of volkeren; been, beenen of beenderen; kalf,
kalven, kalvers of kalveren; rad, raden, raders
of raderen. — Lid heeft jn het meer.voiid leden;
fchip, fchepen; flad, fleden; fmid, fmeden; fpit,
fpeten, enz. De woorden op heid hebben in het
meervoud heden, als: bevalligheid, bevalligheden,
enz.
§ 226. Eenige woorden zijn niet in het meer-
voud gebruikelijk, als: goud, zwavel, tarw,
adem, armoede, eer, nijd, rouw, vrede, enz.;
andereniet in het enkelvoud, als: herfenen, in-
homjlen, gebaren, lieden, enz.
4. Gevallen der zelfflandige naamwoorden.
§ 227. De onderfcheidene betrekkingen, waarin
een perfoon of eene zaak, door het zelfftandig
naamwoord uitgedrukt, kan voorkomen, noemt
men gevallen.
§ 228. Men kan deze gevoegelijk tot drie bren-
gen, welke zijn: Het ifte geval, of de betrek-
king, waarin het onderwrerp, waarvan men
iets getuigt, of dat aangefproken wordt, zich
bevindt, als: Willem is vlijtig, de man flaat
den hond: het boek wordt gelezen; j onge-
G 4