Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN STIJL, joi
als; blijdfchap, vriendfchap, priesterfchap, enz.;
ck woorden op iiig uitgaande, en van eenig werk-
woord afgeleid, belooning, enz.; — die den
uitgang nis hebben, en eene daad of gefteldheid
beteekenen, als: behoudenis, enz., uitgezonderd
vonnis, dat onz. is, en getuigenis, dat vrouwel.
en onz. gebruikt wordt; — die op heid uit-
gaan, als: gelegenheid, enz.; — die, van
bijvoegelijke naamwoorden afgeleid, in te uitgaan,
als: hoogte, enz.; — alsmede die met verlen-
ging in e eindigen, als : fchaduv/e, enz.; — ein-
delijk de woorden op st uitgaande , als = gunst,
winst, ^enz.
§ 222. Van het onzijdige geflacht zijn: de
namen van landen en fteden , als : het oude Delft,
enz.: — de onbepaalde wijzen der werkwoorden
en de bijvoegelijke naamwoorden, zelfftandiger
wijze genomen , als : het leven , firijden, groen,
ruim, enz.; — woorden in het algemeen de ftof-
fen aanduidende , als: het goud, graan , enz.; —
de woorden, die , van werkwoorden afgeleid, de
voorzetzels be, ge of eenig ander voer zich heb-
ben, als: het beleg, gerij, geval, gejammer,
toeval, ontflag, enz.; —.woorden op ta, van een
zelfftandig naamwoord afgeleid, met het voor-
voegfel als: het gebergte, geboomte, enz.; —
de woorden in fd uitgaande, als: het dekfel,
fchepfel, enz.; — de woorden op fchap eindigen-
de , en eene waardigheid of gefteldheid eener zaak
G 3