Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
100 HANDLEIDING tot den
ging van je, tje, pje als verkleind voorflelt, wordt
verkleinwoord genoemd, als: huisje, boom'
ptje, zoontje, enz.
2. Geflachten der zelfflandige naamwoorden.
§ 219. Het geflacht is eene onderfcheiding
van hetgene mannelijk of vrouwcUik is, of tot
geen van beide behoort. Men heeft dus in de
nederlandfche taal drie geflachten: het manne-
lijke, vrouwelijke en onzijdige.
§ 220. Tot het mannelijke geflacht behoo-
ren : alle namen van mannen, mannelijke eigen-
fchappen en verrigtingen , als: Willem, koning,
fehiider; ook de woorden in er uitgaande en eene
werking op een werktuig overgebragt voorftel-
lende, als: fnuinr, pasfer; — verder dc woor-
den in dom uitgaande en eene gefl:eldheid of eenen
fl:aat aanduidende, als: eigendom , adeldom; —
eindelijk die op em, fem, lm en rm eindigen,
als: adem, alfem , galm , arm, enz.
§ 221. Van het vrouwelijke geflacht zijn:
alle namen van vrouwen, vrouwelijke hoedanig-
heden , waardigheden en verrigtingen, als : Maria,
koningin, voedfler, uitgezonderd wijf, dat onz.
is; insgelijks vele op ij uitgaande, van naam-
woorden afgeleid, en eenen fl:aat of eene werking
beteekenende, als: waardij , abtdij , maat-
fchappij, enz.;—verder die, op fchap uitgaande,
eene hoedanigheid of verzameling uitdrukken,