Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDERLANDSCHEN-STIJL. 99
2.) de Hdwoorden, 3.) de bijvoegelijke
naamwoorden-, 4.) de voornaamwoor-
den, 5.) de werkwoorden, 6.) de deel-
woorden, 7.) de bijwoorden, 8.) de voor-
zetfels, 9.) de voegwoorden en 10.) de
tusfclienwerpfels. De zeven eerfte foorten
ondergaan, de eene meer de andere minder,
veranderingen; de overige foorten zijn on-
veranderlijk.
A. Zelfftandige naamwoorden.
I, Derzelver aard en foorten.
§215. Zelfftandige naamwoorden zijn
woorden, welke zelfftandigheden uitdrukken, het
zij wezenlijk beftaande of als beftaande aangemerkt
wordende, als. i.) krijgsman, fehip, Amfter-
dam, 2.) deugd, moed, dapperheid^ enz. Men
onderfcheidt dezelve in eigene en gemeene.
§216. Eigene zelfftandige naamwoorden,
zijn die , welke bepaaldelijk een enkel voorwerp
uitdrukken , als : Willem, Rotterdam, Neder-
land, enz.
S 217. Gemeene zelfftandige naamwoorden
zijn dezulke, welke op een geheel geflacht of
eene geheele foort toepasfelijk zijn, paard,
held, enz.
§218. Een zelfftandig naamwoord, voorftel-
lende een voorwerp, dat men door de achtervoe-
G 3