Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
6f5 HANDLEIDING tot den
a.) Hoofdgedachte: de vriendfckap is het
grootfte goed des levens.
b.) Ondergefchiict: kentcekens der ware
vriendfchap,
c.) Slot: toepasftng op eenen enkelen perfoon.
Op het woordje die, dat met andere letters
gedrukt is , valt de nadruk. Het nazindeel in den
tweeden volzin is betrekkelijk , dc nazindeelen
inden derden zyn volftrekt.
S 212. De rede, waardoor wij onze gewaar-
wordingen en voorftellingen uitdrukken, is dus
zamengefteld uit volzinnen, de volzinnen uit voor-
ftellen , en deze uit woorden, welke men in ver-
fchillende foorten verdeelt.
§ 213. in elk voorftel treft men twee voorname
foorten van woorden aan:
I.) de namen der dingen, en a.) de ge-
zegden; waarom men ook al de woorden, waar-
uit de nederlandfche taal is zamengefteld, in twee
hoofdfoorten kan onderfcheiden. De eerfte hoofd-
foort, dc namen der dingen, noemt men in het
algemeen naamwoorden. Dc tweede hoofd-
foort, de gezegden, wanneer deze het beftaan der
dingen wijzigen, noemt men werkwoorden.
§ 214. Door eene nadere verdeeling dezer
hoofdfoorten verkrijgt men tien bijzondere foorten
van woorden, die men taaldeelen of rede-
deelen noemt. Deze tien foorten zijn:
I.) de zelfftandige naamwoorden.