Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEPvLANDSCHEN STIJL. 89
reer Iiet nazindeel wegvalt, als: konde onze
deugd reeds hier geheel haar doel bereiken; zoo
zoude de leer der onfterfelijkheid een groot deel
van hare kracht verliezen. Hoe meer de opmerk-
zaamheid van onzen geest opgewekt wordt; des-
tem eer wordt het voor denzelven behoefte om in
den inhoud der gedachten dieper in te dringen.
Een betrek kei ij k nazindeel is datgene , waar-
bij wel het voorzindeel op zich zelf beftaan en
begrepen kan worden, al valt ook dat nazindeel
weg, maar waarbij het nazindeel, dat gewoonlijk
den grond des voorzindeels behelst, niet op zich
zelf beftaan en geen eigen voorftel worden kan;
dewijl het, om regt begrepen te worden, van het
voorzindeel afhangt, als : gij kunt in allen gevalle
op mij rekenen; w an t ik houd het voor pligt, u
te onderfleuntn. Dikwijls ergeren zich de men-
fchen over den hoogmoed van anderen; dewijl zij
zeiven hoogmoedig zijn en te groote gedachten van
hutf eigen^ perfoon koesteren.
§ 203. Ter verbinding van de deelen in
zamengeftelde volzinnen gebruikt men, even als
in voorftellen te zelfden einde gefchiedt, woord-
jes, waaraan men uit dien hoofde den naam van
voegwoorden geeft, als: en, want, de-
wijl, omdat, vermits, als, daarom, doch,
maar, dat, opdat, indien, zoo, of, enz. Zoo
vele onderfcheidene foorten van voegwoorden er
m in de taal zijn, door welke de betrekkingen
F 5