Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
NEDEPvLANDSCHEN STIJL. 83
men, zoo lang daarbij niet wordt uitgedrukt wat
eigenlijk door de opgegevene handeling of wer-
king bewerkt wordt. Het bewerkt wordende,
dat, onderfcheiden van het onderwerp, in een
voorftel voorkomt, noemt men het voorwerp.
Zoo wordt het voorftel de onderv/ijzer beloont
eerst volkomen, wanneer men hetgene beloond
wordt er bij voegt, als; de onderwijzer beloont
den leerling,
5 189. Menigmaal wordt het onderwerp,
gezegde of voorwerp door een of meer woorden
nader bepaald. Het woord of de woorden, welke
men te dien einde gebruikt, en waardoor het
voorftel de vereischte duidelijkheid verkrijgt, dragen
den naam van bepaling des voorftels. B. v.
in: de daden yan brave menfchen ondergaan
dikwijls de onverdiende berisping, der boozen,
dient yan brave menfchen. tot bepaling van het
ondervirerp, dikwijls tot bepaling van het gezeg-
de , en der boozen tot bepaling van het voorwerp;
§ 190. De meeste bepalingen nemen eender vol-
gende 'woordjes voor zich, welke om die, reden
voorzet fels genoemd, en aan dat kenmerk ge-
makkelijk onderkend worden , als: a.an, yan,
voor, achter, beneden, binnen, boven, bij, bui-
ten, bl, na, naar, om, onder, op^ over,
tegen, tot, tusfchen, door, met, uit, te, ten,
ter, enz. ■
§ 191. Daar 'de- voorftellen niet anders zijn
F a
tiCJCÏ