Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
di frommer. 77
Wanneer men hem, al is het zelfs by den ligtften
en aangenaamften arbeid , befchouwt, zou men den-
ken , dat het de zwaarfte en verdriedykfte der ge-
heele wereld was. De pligten van z^n beroep fchy-
nen hem drukkende en lastig te wezen. Zelden vol-
doet Jiy zich zeiven , en dikwyls is hy over zich
zeiven te onvreden ; maar even zoo veel verlangt hy
nu ook van anderen. Zyne onderhoorigen hebben het
daarom vry kwaad. Hy zal doorgaands, met de ui-
terfte geftrengheid , over hen waken, den geringften
misflag fcheiplyk beftraflen , en beftendig morren en
klagen, dat men toch nog veel meer kon afdoen,
en veel vlytiger en ftipter zou kunnen wezen.
Daarom is hy ook zelden roet den arbeid van eenen
ander te vrede. Nu heeft hy hierop dan daarop, iets
aan te merken. Deze onvergenoegdheid ftrekt zich tot
de kleenite dingen uit. Een of ander nieuw ftuk huis-
raad of kleeding, een of ander geregt, dat niet juist
naar zynen i'maak is , brengt hem in het verdrietiglte
humeur. Dan mag zich niets verroeren, als het zyne
misnoegdheid niet wil vermeerderen ; dan ergert hem
alles. Beftendig herhaalt hy zyne klagten en bezwa-
ren over het geen hem zoo weinig behaagde, en valt
elk op het lyf, die het waagt, om hem tegen te
fpreken, of, buiten dien, flechts een enkel woord
te uiten.
Wanneer hy zelfs aan anderen goed doet, en be-
hoefrigen en noodlydenden onderfteunt, dan zullen
evenwel zyne weldaden voor elk , die een fyn gevoel
bezit, iets hards hebben, daar de dankbaarheid en
vreugde van hen , die hy helpt, hem zoo weinig ter
harte gaat. Hy geeft, in allen gevalle , weg , wat
hem goeddunkt, maar de waaide van zyne giften door
vriendlyke troostwoorden te verhoogen, en den kom-
mer van ellendigen te verminderen, dit valt hem niet
in, dit verftaat hy evenmin, als het geluk van men-
fchen , die het welgaat, nog te vergrooten en te
ver-