Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
70 de Al. TE VRIENDLYKE.
ben, en verzekert u , reeds lang gewenscbt te heb-
ben om met u nadere kennis te maken. Op alles,
wat gy zegt, andwoordt hy, gy hebt gelyk! Daar
in hebt gy ook gelyk! Volkomen waar ! Welk
oordeel gy ook vellen moogt. Gy hooit beftendig
zulke zecswyzen uit zynen mond. En al leide gy u
er werklyk op toe, om iets regt ongerymds te zeg-
gen ; hy brengt evenwel niets daar tegen in. Daar
voor beware hem de hemel! Hoe zou hy ook zoo
onbeleefd kunnen wezen ! Gy fcheidt eindelyk van
hem. En hy betuigt het grootfte leedwezendat hy
het genoegen van uw onderhoud niet langer genieten
kan. Geloof intusfchen niet, dat hy nu eene byzon-
dere genegerheid voor u opgevat hebbe. Want, zoo
als hy u zyne vriendfchap opdrong, zoo maal« hy
het ook met anderen. En te huis denkt hy niet meei
aan u. Het is hem genoeg, dat gy hem aJs een lief,
bevallig man hebt leeren kennen.
De zwakheid , van alles toe te geven, en nooit te-
gen te fpreken , verleidt hem dikwj'ls tot bedryven ,
die zich in het geheel niet laten verdedigen. Men
fpreekt, by voorbeeld , in een gezelfchap , kwaad
van iemand. En hy weet met zekerheid, dat het on-
waarachtig is. Maar, wel verre van den laster te we-
derleggen , bevestigt hy dien zelfs wel, wanneer men
hem tot getuige roept. Met eiken aangeheven toon
ftemt hy in. En heeft men aangevangen, om van de-
zen of geren cerige belachlyke dingen te verhalen,
dan weet hy er nog meer van, en vergroot het be-
lachlyke daarvan ten uiterfte, 'enkel om het onder-
hond te veraangenamen , en zich aan het gezelfchap
welgevallig te maken.
In groote verlegenheid geraakt hy, als hy, in
eenig gefchil, tot fcheidsman geroepen wordt. Spreekt
hy met elk der partyen afzonderiyk , dan weet hy
zich wel te redden. Hy geeft, zonder langwylig on-
derzoek , een ieder gelyk. Maar dit kan hy zoo vol
uit