Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
66 D E V L E IJ E R.
zich hristpndom en wysgeerte tot een wrnschlyh vtv'
hond. En uwe uiterl) kheden hebben my betno-
verd. ]\u hunnen wy waarlyk het verlies van
we/ dragen, nu er in u eeti tweede * * * opge^
ßaan is. Intusfchen begaat gy werklyk eene on^
regtvaardigheid jegens hit Publiek, daur gy dit
genot aan zoo velen onthoudt, door dien gy
uwe leerredenen niet, door den druk, algemeen
verkrygbaar maakt. " En dllS veiTolgt by eeU
geniimen tyd, den ander op het overdrevenfte in
het aargezigt te vleijen ; w aarby deze, als er neg
een vonkje van befcheidenheid in hem is, fchaam»
rood worden, en in de grootlle verlegenheid gera-
ken , moet.
Legt hy ergens een bezoek af, dan rekent hy zich
verpligt, om den man en de vrouw des huizes on»
ophoudlyk komplimenten te maken. Hy pryst derzei«
ver fynen Imaak in de meubilering van het \ertrck.
Hy vindt, ru eens dit, dan eens dat, enkele ftuk
fchoon en voortreflyk, en het geheel zoo wel over-
eenftemmende, dat het Hechts,, door eenen welge-
vomiden geest, zoo kan worden gefchikt. Zelfs
bewondert hy de k; nstprenten, die aan den wand
hangen, als werken van de grootfte meefters, al is
het Hechts van de gemeenfte waar. En daai'by ver*
heft hy den gastheer tot een fynen kunstkenner.
Nu ontdekt hy een ftaa-tlluk in een naastgelegen
veitrek, en terflond \'erneemr hy, wiens vingeren
dat doode inflrument bf ziel en ? Want Van ZUlke
uitdrukkingen en fpraakwendingen houdt hy veel. On^
geem Itveekt hy zoo, als andere gewone menfchen,
Zyne gefrrekker moeten alt^d bloemryk en dichterlyk
wezen. Hy verftaat, dat de dogter des huizes dat
inftrument befpeelt. En nu houdt hy niet op van bid*
den, dat zy toch aan de f naren melodifche too^
nen aftronnen moge, tot dat zv hem eindelyk ver-
hoort, Maar, wat is muziek zonder gezang ? Hy
ver-