Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE V L E IJ E R.
65
fpraken verkwist. Want ziilk een vleijer, als wy
hier willen fchilderen, dat is, een zoodanige, die
geern, aan een iegelyk, iets aangenaams zegt, heeft
daarby zelden een baatzuchtig oogmerk. Ten hoogfte
kan de bron van zyne zwakheid gezocht worden in
ydelheid, en zucht, om te behagen, en den roem
van wellevendheid in te oogllen; aangezien hem,
voor het overige, aan de gimst van hen, wien hy
beleefdheden zegt, dikwyls weinig gelegen is. Er
is wel eene loort van vleijers, die zich voomaamlyk
een perfoon ten voonverp van hunnen lof geko^ien
hebben, en denzelven, op alle treden en liclireden,
met liiume pluimftrykery vervolgen; en de dryfveer
van dezen beltaat wel in laag eigenbelang: doch van
dezen zal hier niet, maar op eene andere plaats, ge-
fproken worden.
Alles, wat men zegt, pryst de vleijer als fchoon,
voortreflyk, godlyk — hy kan zelfs geene woorden
genoeg vinden, om het genoegen, dat hy er in
fchept, behoorlyk uit te drukken. Heeft men eenen
inval, dien men zelf naauwlyks voor geestig dui-ft
uitgeven ; zoo kan hy volftrekt niet ophouden van
lagchen, en baaiiat h/ dien inval overal uit, als of
zoodanig iets nog nimmer gehoord wai-e. Hy weet
niet, hoe hy óns verftand, onze kunde en bekwaam-
heid, genoeg zal béwondeien. En als men hem ge-
looven wilde, zou men zich zei ven voor den wys-
ften aller fterflingen nroeten houden.
Eenmaal hoorde hy een jong mensch prediken,
wiens voordragt, in de daad, naauwlyks middelma-
tig was. Toevallig bevond hy zich, den anderen
dag, in deszelfs gezelfchap. En daai- kan hy nu
onmooglyk deze fchoone gelegenheid, om eenige
Vleijende dingen te zegp,en, laten voorbygaan. ,, Gy
hebt my, zegt hy, tcwyl hy hem met zekere def-
tigheid nadeit; Gy hebt my gisteren waarlyk ge
fUcht, Ja uwen trant van voorjiellen vareeaigen
E giek