Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE MORSIGE. 45
ten blyken. Een van myne bekenden had eenmaal een
noodwendig bezoek , by een eerwaardig man, af te
leggen , wiens huishouden hy by deze gelegenheid
zoo wel leerde kennen, dat hy my daarvan eene af-
beelding fchetfte , welke ik , ten befluite, hiefby
voegen wil.
,, Ik ging " zeide hy „ des morgens omftreeks elf
uren daarheen. Men had my reeds gezegd, dat ik ,
in het lieve huismeubel van den goeden man, juist
geen voorbeeld van zindelykheid vinden zou. En ik
verwachtte dus ook niet veel orde in dit huis. Maar
ik moet bekennen , dat myne venvachting grootlylcs
overtroffen werd. üe vrouw opende my de deur, leidt
de my , onder veel komnlimenten , in de kamer, en
bad te gelyk : dat ik het niet kwalyk nemen mogt,
dat ik het by haar zoo in desorde vond ! Zy had
nog niet tot opruimen kunnen komen. Men heeft,
voer zy voord, den ganfchen dag iets fch.oon te
maken, en krygt het nog niet gedaan. Van deze
hare neiging tot fchoonmaken was nu waarlyk , noch
aan haar zelve, noch in haar huis , eenig fpoor te
ontdekken. Toen ik in de kamer getreden was, bood
ay my eenen Itoel aan, en verzocht my, flechts een
oogenblik te vertoeven, zy zou haren man roepen. Ik
deed, als of ik my nederzette, maar bleef Ihan, toen
zy my den rug toekeerde, en de deur uitliep. Want
de ftoel was zoo morfig, dat ik fchroomde, om
daarop te gaan zitten. Intusfchen had ik tyd, om het
verti-ek eens op te nemen. De wanden zagen er ge-
heel graauw uit, en waren , rondom , met fpinne-
webben behangen. Den vloer kon men bykans niet
van de zwarte aarde onderlcheiden. Door de venfters
kon men naauwlyks heen zien. De gordynen hongen
daarvoor als duistere wolken. Alles was zoo belio-
ven, dat men teekeningen daarop zou hebben kunnen
jnaken. Op eene mot olie en kaars\^et bezoedelde ta-
fel ftond nog het onaljgewasfchen koffy goed. Daar
en