Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE BALDADIGE. 9
ne hoorende guiteryen bloot. Elk hunner krygt van
den knaap een fchimpnaam, waarmede hy denzelven
roept, zoo haast hy hem onder de oogen krygt. Kan
hy iemand ongemerkt van achteren naderen, dan ftoot
hy denzelven , met alle geweld, voorwaart te^en een
wand. Of by zoekt hem een been onder het lyf weg
te trekken , om hem te doen vallen. Of hy fteekt
hem met eene naald in de kuit. Ook werpt hy een
ander geern klisfen in de haren, fteekt hem morsfige
walglyke dingen in den zak , flaat hem onverhoeds
met brandnetels in het aangezigt, en wat dies meer
is. Geen arme kan zich op het plein , of voor de
deur, laten zien, v ien hy niet allen mooglyken
fniaad aaridoet, Hy werpt hem met fteenen, hitst de
honden op hem aan, en overftort hem met een plas-
regen van de leelykfte fchimpwoorJen, Den gebrek-
lyken beleedigt hy met bittere fpotterny, of wel door
naaraping van deszelfs gebreken. Als een blinde hem
om eene aalmoes bidt, zoo bedriegt hy denzelven eerst
meermalen , en fchatert van lagchen , als de arme
hals voor een fteenije, dat hy hem in den hoed werpt,
dank zegt j inuisfchen geeft hy hem ten laatfte even-
wel niets.
Hoe zulk een knaap zich in gezelfchappen gedraagt,
dit zal ons een man leeren, die niet lang geleden zelf
ondervond, dat baldadige kinderen alle gezellig ge-
noegen ftoren , en waar zy komen , niets, dan ver-
driet, en fchade, veroorzakp, Hy meldt zyne ont-
moetingen aan een vriend, en fchryft daai'over aldus:
„ Ik koom van een gastmaal te rug in eenen toe-
ftand, die my geh2el van myn ftuk brengt. Myn ou.
de eerwaardige vriend R, , bewees my eenen zeer
flechten dienst, dat hy my hedeh ter tafel noodigde.
Ik ging naar hem met voorgevoel des genoegens, dat
ik fteeds in zyn gezelfchap vind. Maar eeite kleene
fpitsboef benam my welhaast myne opgeruimde geest-
gefteldheid."
As r,Er