Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
6 CE ONGESLEPENE.
daarvan te wi-eken. Want hy is ook op aardigheden
afgerigt; even als de ezel in de fabel, die zag, dat
zyn heer zich met de liefkozingen van zyn hond in-
liet , en toen ook op hem los ging, en hem de voor-
fte poten op de fchouders zette, om licm even eens
te liefkozen. Ja, hy wordt geeni voor een regten
fchalk gehouden. Hier op uit zynde, fteekt hy, on-
der anderen , heimlyk naalden met de punt boven-
waart in den lloel, waai'op ieniand wil gaan zitten.
Of hy trekt, op het oogenblik, als iemand zich ne-
derzetten wil , den ftoel achterwaart weg. Hy mengt
buskruid onder den rooktabalv, en gemalen peper on-
der den fnuiftabak, dien hy anderen aanbiedt, en
welke diergelyke fyne aardigheden er meer mogen
wezen. ,
Zoo gedraagt zich de ongeflepene. Zal men zich
dan wel verwónderen, dat hy voor elk welgemanierd
mensch onverdraaglyk is , en niemand by zich ziet ?
Nog verachtlyker wordt hy, wanneer hy, in zulk
eene ongeflepenheid, eene foort van eer ftelt, en zich
geene de minfte moeite geeft, om haar af te leggen;
offchoon dit zoo bezwaarlyk niet is. Want daar zy,
klaarblyklyk , uit eene te geringe oplettendheid voor
anderen , en uit een verzuim van in achtneming van
zich zeiven, beftaat, zal men haar gewis leeren ver-
myden , als men zich bevlytigt, om de goedkeuring
van welgemanierde menfchen w eg te di'agen, en als
men zyn nadenken beftendig op zyne eigene handelin-
gen , en zyn eigen gedrag, vestigt. \'^ooral brengt
een gedurige omgang met befchaafde perlbnen veel
toe, om de ruwe en fcher^-ie hoel^en af te fij^ien, als
men flechts eenig verlangen voedt, oni zich bemind
te maken, en den lof van een mensch , die weet te
leven , die onder ons immer onontbeerlyker wordt, te
verwerven.
II.