Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE üi^GECLEPENE, 3
Hy kaii met zyne oogen den afftand der voorwer-
pen evenmin aflieten , als een blindgeborene , die ,
eerst federt een dag of twee, ziende geworden is.
Daarom loopt hy , even als zoodanig iemand, overal
tegen aan, en blyft met zyne klecderen , overal
aan hangen. Voor iemand, die hem tegen komt, uit
den weg te gaan, dit valt hem geheel niet in; al
ziet hy ook, dat de ander niet voor hem wyken kan,
zonder in het diepfte üyk te treden ; en al is het ook
eeu perfoon, waaraan hy achting verfchuldigd is. Daar
en tegen dringt hy, zonder omftandigheid en vry on-
zacht , een ieder weg, die hem ergens hinderlyk
fchynt te wezen. Hy' maakt ook gene zwarigheid,
»om, als hy ergens ftaat, gemakshalve op den fchou-
der van een ander te leunen.
hl welgemanierde gezellchappen is hy wel een wei-
nig veriegen; maar hy weet zich echter, met ze-
kere domme driestheid, boven het bereik der onaan-
genaamheden , die zyn onbefchaafd gedrag hem op
den hals haalt, te ftellen. Is hy zoo gelukkig , dat
hy , by het eerfte inkomen, niet ftruikelt, dan laat
hy den hoed, of wat hy anders in de hand heeft,
vallen, terwyl hy eene lompe buiging maakt. En het
fcheelt niet veel, of hy rolt zelf op den neus, als
hy het gevallene wil opnemen. Ontdekt hy vreemde
gezigten , dan vraagt hy aanftonds een zyner beken-
den gansch overluid, wie die man toch zy met de
roodc vest, die met den langen neus, of die met
zyne kromme beenen? De vrouw van den huize reikt
hem nu een kop koffy toe ; maar, als zy zich niet
gezwind van hem verwydeit, dan krygt haar kleed
een bruin plakaat, waamee evenwel, als zy het ge-
lukkig ontkomt, de vloer, of zyne eigene kousfen,
verfierd worden. Heeft hy, eindelyk, het kopje
vast in de handen, dan blaast hy, na dat hy zich
eerst den mond gebrand, en zyn gezigt dieswege vrees-
lyk vertrokken heeft, met zoo veel geweld daarin ,
A s dat