Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
t>z BEZIGE LEDIGLOOPER. 131
ï3er, waar door het voor hem ligter zoii worden ge-
maakt. Hy ftaat voor eene kas, om zyn ihmen na te
7jen. Nu hoort hy de hoenders in den ftal kakelen.
Daar by valt hem op eenmaal in , dat hy hen uidatea
en voederen moet. Hy loopt dan vooyd, laat de kas
open, en brengt zich nu eerst in gevaar , om beftor
len te worden, daar hy misfchien den geheelen dag
niet weder aan die kas denkt. Vindt hy haai- den vol-
genden morgen zoo open ftaan , dmi twylèlt hy in
het geheel niet meer , ot" hy zy beftolen , en begint
op al zyne huisgenoten te fche'den, en te razen j
maar zy ftel'en hem welhaast wederom gerust, door
dien zy hem verzekeren , dat 'alles er nóg is, en er
niets het minfte x'ermist wordt. Want, ondanks al
zyn gedurig ronddraven in zyn huis, en nazien van
aMes , weet hy evenwel dgenlyk niet, wat hy bcr
zit, daar zyne gedachten elkaar onophoudlyk door-
krui fen , en hy, aan niets , ernftig en aanhoudend
denken kan.
. .Hy klaagt beftendig over zyne ontzaglyke dnilcte ,
en gelooft, dat er geen mensch is , die zoo geplaagd
-wordt, als hy. En waarlyk zal men niet ligt ieniand
vinden, die zich, zoo geheel zonder noodzaak,
kwelt. Hy denkt, dat een goed huishouder, te zy-
nentalles zelf verrigten, ja zich zelfs met den on-
voegzaamften arbeid belasten, en alles beftendig zelf
nazien, moet, als de huishouding niet te gronde
gaan zal. Daarom ziet men hem, fomwylen , zyre
kamer met den befem vegen, of de potten in de keu«
ken befnuffelen, om te zien , of het eten behoorlyk
kookt; offchoon hy lieden genoeg heeft, die dat
alles beiiorgen. ff^at word ik geplaagd I roept hy
eenen vrieiul te gemoeï, die hem in den min, met
iiitwieden van het onkmid, bezig vindt; moet ik
^ic ook niet zelf doen , dewyl myn vtrwemclite
bediende vergeten heeft , om iemand daar voor
te hefiéllen ! Eer ik het zoo dikwyls zeggen , en
1 a he-