Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE VERSTROOIDE. 127
onzen droomer gecondoleerd. Een ander verhaalt hera
den dood van zyn kind, en ontvangt van hem , tot
andwoord, eene felicitatie. Aan tafel giypt hy de
vork, om daarmee foep te eten, en verwondert zich,
dat hy niets in den mond brengen kan. Een geregt is
hem niet zout genoeg. Nu werp't hy er zoo veel
2out, of by mistasting ook wel peper, by, dat
het geheel oneetbaar wordt. Hy heeft een glas bier
AToor zich ftaan , en in het begrip , dat het water is,
giet hy een glas wyn daar by.
Hier voegt het fchildery, dat zoodanig een verftrooi-
de, by zeker beroemd fcliryver, van zich zelven
waakt, en de volgende twee fnaakfche voorbeelden
van verftrooidheid.
Twee heden ftaan naast eikanderen. Eensklaps be.
gint de een den ander op den arm te krabbelen. Dc
laatstgenielde vraagt hem , wat hy van hem begeert?
Hec jeukt my, is het andwoord. Zoo, zoo ! is het
weder andwoord. En de laatstgemelde laat den eerften
gerustlyk voord krabbelen. Twee broeders, die digt
by eikanderen wonen , hebben op eene afgelegene
plaats eene ervenis te innen. Zy fpreken af, wanneer
zy daar by een komen zullen; en , daar zy elkande.
ren voor de poort der bedoelde ftad ontmoeten , valt
liet hen eerst in, dat zy de reis, in elkanders gezel-
fchap , hadden kunnen doen.
• Zoodanig een verftrcoide maakt zich — het gene
een noodwendig gevolg van zyne gekke kuren is —
nier flechts belachlyk ; maar niet zelden maakt hy
zich werklyk ook by anderen gehaat. Want reei.ls is
eene enkele afwezigheid van gedachten in een gezel-
fchap eene ftilzwygende verklaring, dat ik het zelve
myne opmerkzaamheid niet waardig acht. En waar
door kan ik een gezelfchap fterker beleedigen, dan
door zulk een bewys van verachting ? Maar de ver-
ftrooide zondigt ook buiten dien , elk oogenblik , te-
gen de regelen der wellevendher.1. Hy zegt zeer dik-
wyls