Boekgegevens
Titel: Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Auteur: Funke, Karl Philipp; Bruining, Gerbrand
Uitgave: Zutphen: H.C.A. Thieme, 1804-1805
Opmerking: Vert. van: Sittenspiegel für die Jugend. - 1800
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 355 E 5
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206287
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: overige
Trefwoord: Etiquette, Moraal
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handboek van welgemanierdheid en zedelykheid, in karakter-schetsen: vooral ten dienste der jongelingschap
Vorige scan Volgende scanScanned page
88 DE ZONDERLING.
.
haalt hy ze flechts tot aan de kuiten op, zoo dat zy
over de fchceren heen hangen. In de ftrengtfte win-
terkoude wandelt hy in een ligt rokje, en met den
hoed onder t en arm. En des zomers kleedt hy zich
dikwyls in fluweel en manchester.
Somwylen zwerft hy met zynen bedienden verkleed
door de fl:ad. En niet zelden fl:aat hy des nachts op,
en ylt de poort uit, om op het veld rond te loopen ,
of zich in den vloed te baden. •
Nu eens verwenscht hy alle kunften en wetenfchap-
pen , als pesten voor het menschdom , en zou hy
alle menfchen geem in wilden herfcheppen. Dan eens
is hy , in tegendeel, een yverig voorflander van ge-
leerdheid , ligt, op den vloer van zyn ftudeerver-
trek , nisfchen de folianten , en ziet noch hoort het,
wanneer iemand binnen komt, en hem aanfpreekt, of
hcndt zich, ten minfte , zoo,
Intusfchen vindt men al deze zeldzaamheden niet juist
jn een mensch vereenigd. Gemeenlj k be2it de zonder-
ling daarvan fl- chts de eene of de andere. Want men
kan geen voorvechter van de oudheid — het gene niet
zelden tot de eigenfchappen van den zonderlingen be-
hoort — en te\ ens aan de partj', die het nieuwe bo-
ven her oude ftelt, toegedaan wezen. Het geen alle
rienfchen van dien aard met elkander gemeen hebben,
is hunre dryfveer, de hoogmoed. Men wil geem be-
merkt zyn , en het ondervveni der gefprekken wezen.
Daarom dt et en fpreekt men veel, dat geheel tegen
het gewone aanl' opt, en bereikt men alzno zya doel.
Voor het overige zyn onze zonderlingen fomwylen ver-
ftandige menfchen. Maar dikw^'ls zyn hunne zeld.
zaamheden ook bewyzen van eene beklagenswaardige
amioede van geest. Men wil zich geem onderfchei-
den : maar men gevoelt, dat men dit door niets we-
zenlyks doen kan , en vervalt nu tot zulke gekheden.
In eenige gevallen is ook een hoogmoedige fpyt over
mislukte wenfchen de beweegrede van zulk een gedrag.
Een