Boekgegevens
Titel: Voedsel voor het kinderlijk verstand en hart: een nieuw geschenk voor de jeugd
Auteur: Löhr, Johann Andreas Christian
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1805
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 678 E 25,26
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206275
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: algemeen
Trefwoord: Algemene ontwikkeling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Voedsel voor het kinderlijk verstand en hart: een nieuw geschenk voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
ft A A O S E L Sg 55
48. Twee hóöfdcn^ cn .fledlus twen- armen;
Zeä voeten, cn flechts tien tenen;
Slechts vier voeten, om te gaan;
Zeg, hoe moet men dat verltaan'?
49. Zeer flecht gepoetst, en opgefierd.
Ter naamver nood op 't ruuwst gekamd.
Zie daar mijn' gcheelen opfchik
En echter trekt tóen mij immer aan de
haren , tot dat mijne treurige* iiguur
een droevig einde neemt.
50. Wij dienen u met ons vijven. Elk on-
■Zdt hêeft een bijzonder ambt bij n, en flaat u
vroeg en laat ten diende. Zonder ons verneemt
gij niets; zonder ons'hebt gij geen vermaak;
en waniicer wij 11 lijden veroorzaken, is het en-
kel uwe fchuld.
51. Hc heb een mond; doch daarmede Hok ik
i^öóit iets óp, maar ik fpuuw flechts altijd uit..
Ik heb geen hoofd, maar wel armen; i^ccne voe-
ten , én echter loop ik befl:endigUjkrf Ik ben
nooit fl:il en in rust; offchoon ik evenwel een
b^d heb.
52. Door mijn kleed wordt uwe rust bevoor-
dcrd. öp een uwtr jaarlijkfche feesten' ben ik
de geliefdfl:e kost der gasten; en een kleen deel
van mij fchenkt den mcnsch dikwijJs de onflerf-
lijldieid.
' 53. Voorheen bedekte ik een dier; maar thands
D 4 een