Boekgegevens
Titel: Voedsel voor het kinderlijk verstand en hart: een nieuw geschenk voor de jeugd
Auteur: Löhr, Johann Andreas Christian
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1805
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 678 E 25,26
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206275
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: algemeen
Trefwoord: Algemene ontwikkeling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Voedsel voor het kinderlijk verstand en hart: een nieuw geschenk voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
K A A D S B L S*-
cn Vül het alleen gansch en al. In deri winter
tegraaf ik het, fluit ik mijn deurtje toe, en leef
2ÖO zonder Éten, in ongeftoorde rust.
44. Ik ben nu eens kort, dan eens lang:
doch dien u niet gewillig , voor dat men mij
geflagen heeft, en dan verberg ik mij, meestal
tot aan mijn kraag, en ziét gij nietS van mij,
dan mijn hoofd.
45. Eer ik mij op uW disch tié drEigCn,
Word ik met vlegels hard géflagen.
Ik moet ^an fiof gereinigd zijn ,
Voor dat ik iémand bruikbaar fchijn.
Laat het ook niét achterblijven.
Mij itiet fleènen fijn te wrijvéfi.
Doe mij dan met wafer ftarópén, •
En in fterke hitte dampén;
Dan behoud ik u het levéii,
^ Kan u kragt en-fterkte geven.
46. Boven fpits, én ondêr breed.
Door éft dóór vól zoete warén ,
Wit van lijf, in 't blaauw gfcklèed.
Doe ik den lèkkèfbek heèl' grétig op mij
ftaren.
47. Ik héb geen vöeten, óm té gfinn.
Zij dienert mij fleChts, ófti te ftaan.
Intusfchen fchenkt mijn fchoot, zo6 haaS
u zulks gelust,
U, zelfs wanneer gij arbeidt, riist.
48