Boekgegevens
Titel: Voedsel voor het kinderlijk verstand en hart: een nieuw geschenk voor de jeugd
Auteur: Löhr, Johann Andreas Christian
Uitgave: Leyden: D. Du Mortier en zoon, 1805
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 678 E 25,26
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206275
Onderwerp: Pedagogiek: terreinen van opvoeding: algemeen
Trefwoord: Algemene ontwikkeling, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Voedsel voor het kinderlijk verstand en hart: een nieuw geschenk voor de jeugd
Vorige scan Volgende scanScanned page
\ VERKLARING VAN WOORDEN. 171
„ achterhuis, die in geene zes weken gearbeid
„ heeft, lui?"
; Karel. Dat durf ik niet; zeggen! Die arme
vrouw kan immers niet arbeiden.
Vader. Maar nu maarten daar ginds, die
zal toch wel vlijtig zijn; want hij arbeidt immers
altijd?
Karel. Neen; vlijtig is hij evenwel niet.
Want hij doet niet geern iets. Alle menfchen
noemen hem ook den luijen maarten. ^
Vader. Nu zeg dan zelf eens, hoe het is.
Meenig een arbeidt niet, en is echter niet lui;
en meenig een arbeidt, en niemand wil erkennen,
dat hij vlijtig is. Bedenk u eens; zou de zieke
katrijntje wel wenfchen, dat zij arbeiden
kon? En zou maarten het zelfde ook wel
wenfchen ?
Karel. Vader! Katrijntje heeft altijd lust
tot arbeiden gehad. Ik weet zeer wel, hoe vlij-
tig zij anders was. Maar, daar en tegen, was
maarten het nooit. - „ Nu," zeide mijn
Heer ernst, ,, daar hebt gij het immers zelf ge-
„ zegd, wat eigenlijk lui en vlijtig is." ,, Ei,"
riep karel, „ dat had ik niet gemerkt. Nu zie
„ ik het wel in. Het komt daarop aan, of iemand
„ geern iets doet." - „ Als hij, naamlijk,
5, flechts kan," voegde karels vader daarbij.
K 4