Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
C 7 )
looze uiifpraken over de vertrokken varensgasten meng-
de , ais hij zich met hun verfchrikkelijk vloeken gemoeid
had. Alleen merkte JulVrouw stijntje op, dat d!e
Heer weder een of tweemaal grimlachte, vooral bij den
uitroep van haren ouden Heer. Gaarne wilde zij dus
met dezen Heer eens aan den gang, en loerde op de
gelegeniieid om daartoe te komen ; welke zich , een
half uur later, daar de lijn van de treklchuit met die
van een dorpi'chuit in de war raakte, Tpoedig geboren
werd; ook zonder vloeken onder de Schippers, hunne
Knechts en de Jagers, ging dit niet toe. En daar die
warren van de lijnen de fthuit een weinig over zij deed
helle), raakten de vrouwen, en zelfs eenige mannen,
in vrij wat angst , maar de Heer, die nog niet gefpro-
ken had, legde zijn botk neder, flond op, liaalde een
mes uit zijn'zak en fneed,met groote vlughei I, een dei'
lijnen (lukken , waar door alle zwarigheid over wa?.
Eer hij, echter, zijn boek weder had opgevat en ini
de mede-pasfagiers , waaronder ook stijntje, van
hunne (chrik bekomen waren , nam zij haai' Ilag waar,
en zeide: Mijnheer heeft ons daar een grooten dienst
gedaan. (^Zich m een vromy, aan hare zijde zittinde ^
tfendende.') Het fpreekwoord zegt niet ten onregt: Stille
waters hebben diepe gronden.
De Heer \_Zijn boek fluitende^ Dat fpreekwoord,
Mejufvrouw! zoo gij het op mij toepasfelijk maakt,
zni ik voor eene beleediging kunnen opnemen , daar
men, over 't algemeen,daar iets kwaads mede bedoelt;
en, indien ik zoo weinig opvoeding had, als die va-
rensgezellen, welke de fchuit Itraks uirgeftapt zijn, zoiidt
gij u inisfchien aan nieuwe onaangenaamheden zien
blontgefteld.
Jufv. Stijntje. Mijnheer! zulke bedoelingen had ik
er in 't geheel niet mede: maar een mensch mag Immers
zijne gedachten wel zeggen , zonder dat men er juist
boos om wordt; men moet traag zijn tot toorn. Maar
Mijnheer fcheen niet zoo ontdicht te zijn nis ik en
alle de andere pasfagiers, door het vloeken van die zon-
dige matrozen.
De Heer. Eene nieuwe beleediging, Mejufvrouw!
van iemand, wien gij waaifchijnlijk nooit meer gezien
hebt, en wiens karakter u geheel onbekend is. Ik kan
u dan zeggen,dat mij dat vloeken wel degelijk verveeld
heeft, maar tevens, dat gij uw loon ontvingt, daar gij u, onge-
A 4 roe-