Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
C 6 )
Maar wat zeg jij daar. Jufvrouw! dat wij zoo zondig
gcfproken hebben ? Ja , Dominé's of Pastoors binnen
wij niet, en er komt wel reis een onvertogen, onbe-
houwen woord uit onzen mondj maar wij hebben het,
dat ik weet, niet zoo grof gemaakt, dat we door jou,
zoo maar pardoes, op het lijf moeten gevallen worden,
en deurgeftreken als of wij vloekers bazen waren. Maar
■we kennen het wel. Is het niet waar, jan! En om
dat je ons nou zoo onverdiend over den hekel haait, in
, prefentie van zoo veel menfchen, zeilen we je dan reis
laten hooren wat we kennen.
En naauwelijks had Tijs dit gezegd, of hij begon,
met zijn kameraad jan,op de allerafgrijfelijkfte wijze te
vloeken ,en allerhande vloekwoorden van de ruwfte ÏToort,
uit te braken , zoodat de oude Heer er wakker van werd,
stijn tje hare vingers in beide hare ooren ftak, en
er niemand in de Schuit was, of hij verveelde zich niet
alleen, maar ergerde zich ten hoogften; zelfs een Boer,
die er anders vrij ongevoelig uitzag, fchudde nu en
dan zijn hoofd; alleen een lieer, die met een boek in
de hand zat, en fcheen te lezen, gaf geene blijken van
afkeiuing, ook niet van eenige deelneming in de gan-
fche gebeurtenis; alleen kon hij zich, Ichoon hij fcheen
voort te lezen, tusfchen beide niet bedwingen van een
glimlach.die bij Jufvrouw stijntje niet onopgemerkt
bleef. Toevallig zagen de twee vloekende zeebonken
aan den wal een ander matroos van hunne kennis, dien
zij gedacht hadden aan de Niemerßuis te zullen ontmoe-
ten, en verzochten den Schipper, dat hij hen aan den
wal zou zetten, die dit vrij gereedelijk deed, en zoo
raakte men van die twee onaangename gasten ontflagen.
Naauwelijks waren zij aan wal, of nu gingen alle
monden lo?. Zulke beesten dacht men niet, dat er op
gods aardbodem waren, 't Was wonder, dat onze
Lieve Heer zulke onverlaten op de wereld een oogen-
blik liet blijven; 't was of de Schuit onder mij weg-
zonk, zeide Juffrouw stijntjb; nu, de Heer zal
hen ten zijnen tijd wel vinden, en hen het ontheili-
gen van zijnen naam betaald zetten. — Hellewichten!
hellewichten ! bromde de oude Heer uit: doch, daar
deze ftorm dra, voorbij gedreven was, lliep hij weer
zachtelijk in. Juffrouw stijntje echter had nog niet
genoeg van deze zaak, en hare aandacht bleef op den
lezenden Heer gevestigd, die zich evenmin in de liefde-
loo-