Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
HET STAAT ALTIJD LELTJK EN IS,
OP ZIJN BEST GENOMEN,
EELAGCHELIJK,
o f
HET VLOEKEN.
EERSTE SCHUITPRAATJE.

'eUtrechtfche Schuit lag tt/Imflerdam^zm deBeerebijt
gereed om af te varen, en de touwen waren reeds los, toen
ei-twee Matroozen, tijs en jan, met groote drift kwamen
aanioopen ; en fclioon de Pasfagiers wat pruttelden, de
Schipper wilde die twee knapen , daar de Schuit niet
heel vol was, nog wel nieê nemen. Evenwel, om van
zijn zijde te toonen , dat het voortvaren hem ernst
was , fchreeuwde hij met een verfchrikkelijke ftem :
Kom aan, maakt voort! maakt voort! en nu kwamen die
zeebonken in de fchiiit rollen, waarop het volsende voorviel.
Jan {zijn zweet afdroogende, zoo als hij in de Schuit
gaat zitten.) Ik heb geloopen als de bliklem.
Tijs {blazende ) Ik ben zoo heet of ik de hel ge-
blazen heb. Nou, de Schipper maakte ook een leven
als of h j zeven^ barelijke duivels in ziin lijf had.
Jnfv. Stijntje, (Jö huishoudJler van een ouden Heer ^
in den hoek tegen over hun zittenUe, zucht.^
Tijs. De jufvrouw fchijiit ook moe. Ook v/at laat
gekomen ?
Jufv. Stijntle. Escufeer. Tk ben al een kvvartier in
de Schuit geweest. Ik en Mijnheer zijn niet voor dié
haast; maar ik zuchtte om uw fpreken.
Tijs. Om mijn fpreken?
Jufv. Stijntje. En om dat van je kamaieraad,
jan. Wat hebben we dan gezeid?
Jufv. Stijntje, Och ben je lui al zoo verhard, dat
je het zelfs nier meer merkt. Van onze lieve Heers
weer, van de hel en van den duivel, zoo maar in'één
adem. Arme z,ondaarI mijn lieve oude Heer heefc zij-
ne oogen al toegedaan om de gruwelen niet te zien. .
Tijs. Die Heer daar! wel die Qaapt zoo gerust aiff
een roos. Zie! zijn pijp is. al uit zijn' mond gevallene
As