Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 33 )
droeg, dat hij zich niet ontzag, om mij; die bij de
opfiiefierde gebeurtenis tegenwoordig geweest zou zijn,
als getuige aan te halen. Doch, daar de kracht der
hebbehjkheid zoo groot is, kan ook, in dit geval, nie-
mand te veel op zijn hoede zijn, om, zelfs in het ver-
halen van de eenvoudiglle gebeurtenisfen voor alle op-
fienng en vergrooting zich te wachten ; gedachtit^,
dat, zooveel het verhaal daardoor in fchoonheid en aan-
genaamheid wint, juist zooveel de geloofwaardigheid
van den verhaler verliest, als het uitkomt, dat hij bezij-
den de waarheid gefproken heeft. Want, dit moet
ik er nog bijvoegen: vele menfchen hegen alleen uil
grootfpraak , zonder te bedenken hoe belagchelijk zij
zich maken , daar toch doorgaans hunne fuorkerij
verveelt; andere liegen om een gezelfchap te verma-
ken: doch zij bedenken niet dat, even daarom, hoe
aardig dit ook zijn moge, geen mensch hen, in andere
dingen , meer vertrouwt.
Jufv. Stijntje. Ik geef u in alles gelijk, Mijnheerl
maar ik geloof, dat ik u toch wel een voorbeeld zou
kunnen bijbrengen als bewijs, dat een leugentje om best
wil vrij (laat. Ik heb laatst opgepast bij mijn vaders zus-
ter, die heel ziek was, en, zoo als het met zieke lui gaar,
had zij een gril, en wel om niets te willen drinken,
dan roode wijn, dien de Doctor haar verbood te ge-
ven. Maar zij mogt wel Brambozenazijn, met fuiker,
gebruiken, hoe meer hoe liever. Toen, ik beken het
gaarne, uit liefde voor mijne Tante, maakte ik geen
zwarigheid , om haar wijs te maken , ja ftaande re
houden, dat ik haar rooden wijn te drinken gaf — en
dat was toch ook eene onwaarheid.
De Heer. Juist, Mejufvrouw! maar eene onwaarheid
door u met een menschlievend oogmerk en om best
wil gebruikt, ten beste van eene zieke. Hoe hemels-
breed verfchilt dit van een leugen met een boosaardig
en eigenbatig oogmerk , om zich zeiven te bevoordee-
■len en een ander nadeel te berokkenen. Het was een
waar leugentje om best wil, dat geen zonde is — maar
de gevallen, waarin men zich daarvan bedienen moet
of mag, zijn ten uiterde zeldzaam, en, om zich daar-
door zelfs niet aan het liegen te gewennen, doet men
veiligst, dat men er zich zoo min mogelijk van be-
diene.
Klaas. En ik zal blij wezen ais ik de Roobru?
zie.