Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
C >
de waarheid moedwillig, uit eigenbatïge beginfels, t«
krenken, dat is het begmfel van alles.
De Oude Heer voegde nu bij deze juiste aanmer-
kingen van den Heer: Daarom »Mijnheer! wordt onV de
Duivel in de Schrift met reg* de Fader der Ltugenen
genoemd, omdat de leugens aan dc ailerllechtlte be-
ginfels zijn toe te fchrijven, en er allerhande fcort van
kvwad door geliicht wordt.
De Heer. o Ja! maar een leugenaar, hoe fchade-
lijk hij ook voor de menfchelijke maatfchappij is , daar
hij allerhande verwarringen en twisten, zelfs tusfchen
bloedverwanten en bloedverwanten, vrienden en vrienden
flookt, is toch nog voor zich zeiven het fcha ^eliJkbt.
Hij heeft nimmer rust of duur. Hij moet allerhande po-
gingen aanwenden, om door den eenen lengen den an-
deren weder goed te maken, of te bedekken. Hij heeft
een gedurig knagend^ geweten; want, fchoon dat door
den tijd wel eenigzins verftompt raakt, tusfchen beide
komen er toch nog oogenblikken (zoo fteik is de kracht
der vi^aarheid) waarin hij zich ongerust maakt , over
een geheime getuigen van zijne daden. En , zoo als
het met de meiden van den Pastoor gegaan is, meestal ko-
men de leugens vroeg of laat in het licht, en dan
komt al de fchande op het hoofd van den leugenaar te
huis. Zoo men hem al niet met de vingers na wijst,
is ieder toch bang en fchuw voor hem. Men lacht hem
uit, en men geeft zoo weinig acht op zijne gezegden
en verhalen, als op het piepen van een kruiwagen , of
het gekwaak van kikvorfchen. Zelfs is ookdit veeloja'en
het gevolg van het liegen, dat men iemand, dien men
een en andermaal daar aan heeft fchuldig bevonden,
luintijds niet gelooft, al is het dat hij de zuivere waar-
heid fpreekt. Er behoeft Hechts iets vreemds, iets
niet heel waarfchijnlijks, in zijn verhaal te zijn; het is
genoeg, om hem te verdenken, en aan hetgene hij zegt
te twijfelen, omdat hij zoo dikwijls loog.
Jjfv. Stijntje. Ik heb wel gehoord. Mijnheer!
dat er menfchen zijn, die zoo kunnen liegen, dat zij
zelve meenen, dat het waarheid is.
De Heer. Och ja! en dit komt door de gewoonte;
en ik geloof in waarhei 1, dat die ongelukkige hebbe-
lijkheid zoo verre gaan kan ; althans ik heb meer dat?
een leugenaar gekend, die zijne leugenvertellingen of
vergrootingen met zulk eene kracht bij herhaling voor-
droeg,