Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
-C 28 )
De Heer. Ik kan niet zeggen, dat het tnij zeer ver-
wondert, dat het zoo uitkomt met uw Peetoom. Ie-
mand, die in Haat is , om aan jonge lieden zulke ge-
vaarlijke lesfen te geven , heeft,over het algemeen , geen
zeer beminnelijk karakter. En het is mij onder uw
welnemen gebleeken, dat gij niet kwaad van aannemen
geweest zijt. Althans gij maakt heden, om u te verde-
digen wegens eenen trek van inhaligheid , bij een meis-
je, dat zich eerlijk gedragen had, een zeer verkeerd ge-
bruik van een algemeen gezegde, dat trouwens bijna
nooit anders, dan misbruikt wordt. Een leugentje om
best wil is geen zonde, zegt men, om zich zelf gerust
te ttellen of bij anderen te zuiveren, wanneer men,zoo
als althans uw geval daar even was, door het fpreken
van onwaarheid zich zeiven tracht te bevoordeelen, en,
zoo als bijna altijd het geval is , ten koste van zijnen
naasten.
Klaas. Wel, Menheer 1 je neemt dat dan ver-
bazend hoog op. Het waren immers maar eenige vod-
fige ftnivcrs, die ik er deur in mijn zak zou gehouden
hehhen.
De Heer. O Vriendffhap! ik ken u niet, en wi) u
daarom niet befchuldigen of verdenken, maar dit heb
ik toch ondervonden, dat hij, die zich niet ontziet,» om
acht duiten te (telen, niet nalaten zal,om acht of meer
guldens te kapen, als er zich üechts eene gunstige en
veilige gelegenheid toe aanbiedt. Waren de weinige
ftuivers vracht u dien leugen , welke gij om best wil
gelieft le noemen , waardig; beleedig ik u dan wel, met
le denken, dat wanneer aij er zoo veel guldens door
had kininen uitwinnen, gij er althans niet minder vaar-
dig mee zoudt geweest zijn?
Klaas. Gij praat er van, Menheer! als of ik een
diefflal gepltegd had.
De Heer. Dat zeg ik r.iet, jongman ! maar u zal
het oude fpreekwoord toch ook wel niet otibekend zijn:
wijs mij een leugenaar, zoo wijst gij mij een ditf. Hetgene te
keuren geelt, oat, en de leugen, eii de diefllal uit dezelfde
begiiifels van eigenbaat voortkomen, en dat hij, die
niet te goed is om le liegen, met oogmerk om zica
zelf te bevoordeelen, er ook niet veel been, zoo als
men zegt, in vinden zal, om, kan het niet anders,
de handen ir eens andermans goed te flaan. En ik
w^iisc..tfc van u wel eens le weien, hoe vvel verfchil
of