Boekgegevens
Titel: Drie schuitpraatjes
Serie: Stukken van onderscheidenen aard, 7 : 6
Auteur: Loosjes, Adriaan Pietersz
Uitgave: Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendrik van Munster en zoon en Johannes van der Hey, 1814
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Opmerking: Bevat: I. Over het vloeken ; II. Over het bangmaken der kinderen ; III. Over het liegen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Z 437 : 7 : 6
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206172
Onderwerp: Filosofie: ethiek (filosofie)
Trefwoord: Ethiek
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Drie schuitpraatjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
C 25 )
of zij moet het verkiezen te doen. ^ Maar gij tnoet
vooral uw handje itil houden , en niet rerug treldcen
als Diaantje toehapt, want anders zou hij u, buiten
zijn fchuld, kunnen bijten.
Nu kwam let je al aarzelende en al aarzelende na-
der, en gaf eindelijk , na tien geteld te heDbeh, met een
lillend beentje, aan Diaanije het brokje uit haar reg-
ier hand. Het diertje nam het zeer voorzigtig aan en
werd nu heel vrolijk, en ging al weder en al weder
opzitten, en het kind gaf meer dan de helft van haar
kaakje aan het vriendelijke dier. Nu kon dc moeder
zich niet meer bedwingen en begon te zeggen : Het
lijkt wel dat letje niet meer b,...
De Heer. Sc. St.! lieve vrouw! geen woord hier-
van. Gij moet dat woord, dat daar op uwe lippen
was , niet meer noemen. Gij ziet dat aanvankelijk de
verzoening getroffen is. {Tegen letje.) Ik geloof
dat Diaantje ook wel een beentje lusten zou ; maar het
ftaat aan u om haar dat te geven.
Letje. Als het u belieft, Mijnheer! als het u beliefr.
De Heer ♦♦ liet toe, dat Diaantje het verdere van
de reis meer gevoedt werd, dan anders het geval ge-
weest zou ziin , alleen om de nadering tusfchen l e t-
JE en het diertje grooter en grooter te maken. Ja eer
zij nog aan de Sluis waren, zat het hondje al op de
bank naast het kind — en letje zeide, met kinder-
lijke opregtheJd : Moetje! zulk een hondje moest gij
voor L E I j E koopen, als wij weer te /imßerdamkomtn.
De Heer. Hoor, letje! van dit hondje ken ik
een weerga, en als uw moeder mij zegt, waar gij woont,
zal ik maken, dat gij, als gij weer te Amfterdam komt,
er een aan uw huis vindt. {Tegen de Vrouw.') Ik ge-
loof, dat dit het korlfte en beste pjiddel zijn zal tot
ons bedoeld oogmerk.
Nu was men aan de Nieuwerfluis genaderd, en het
fpeet LETJE dus, dat zij van Diaantje fcbeiden moest,
Letje was een lief kind, en de Heer ♦ ♦ kon niet
nalaten om , eer hij uit de fchnit flapte, haar een goe-
dendagzoen te geven — en haar vriendelijk, op zijn
Diaanije wijzende, te zeggen: Zoete meidl gij hebt
nu kennis met mijn lief hondje gemaakt — en gij zult
nu wel overtuigd ziin , dat ook van hem raag gezegd
worden: Het blaft vel, maar het bijt niet.
B 5
EEN
m